Anatomie

dolfijn11

Tandwalvissen hebben een gestroomlijnde bouw (en tanden, maar dat is al verder uitgewerkt in bovenstaande, vandaar dat daar niet meer op ingegaan wordt nu). Hun bouw is aangepast op het leven in stromend water, waarvan ze vaak weerstand ondervinden.

Hun lichaam is aangepast om zo min mogelijk weerstand van het water te ondervinden, zodat ze energie kunnen besparen. Hun lichaam bestaat uit een kop, een romp, een staart, een staartvin, borstvinnen en een rugvin.

De staart zelf en de borstvinnen maken aansturing mogelijk, dat zijn dus eigenlijk de stuurapparaten van de dolfijn. Met hun staartvin kunnen flinke stuwkracht uitoefenen in het water en snelheid maken als dat nodig is. De rugvin zorgt voor stabiliteit tijdens het zwemmen. Ze hebben hun uitsteeksels in de loop van de evolutie verloren en die uitsteeksels zijn in het lichaam gegroeid. Uitsteeksels (zoals bijvoorbeeld oren en een neus) zouden teveel weerstand opwekken. Ook dit heeft weer met stroomlijning te maken. Hun vinnen bestaan uit stevig bindweefsel, alleen de borstvinnen bestaan uit botten.

Het skelet heeft een ontwikkeling doorgemaakt. De schedel is verlengd, zodat de kaken ver voor het spuitgat uitsteken. Dolfijnen hebben minder versmolten wervels, in tegenstelling tot landzoogdieren, waardoor ze een flexibele nek hebben. De borstvinnen zijn een overblijfsel van hun voorouders, die nog op het land leefden en voor- en achterpoten bezaten. De achterpoten zijn in de loop der tijd verdwenen en niet zichtbaar van buiten. De bekken en een klein restantje van het dijbeen zijn andere overblijfselen van hun op land levende voorouders. Uiteraard hebben die bekken en het stuk dijbeen geen enkel evolutionair voordeel meer. De botstructuur is sponziger en minder sterk dan die van
landzoogdieren. Dit komt omdat ze geen last meer ondervinden van de zwaartekracht, waar landlopers wel aan onderhevig zijn. In het water zijn ze gewichtloos en hoeven ze hun gewicht niet te dragen. Vandaar de zwakkere structuur.

Hun huid is glad en als ze snel moeten zwemmen (ze kunnen in snelle beweging wel 40 km/h), hebben de kleine golfjes in de huid (een onderhuidse vetreserve) veel nut omdat de turbulentie tegengegaan wordt. De huid vernieuwt zich continu, schilfert, waardoor er wederom minder energie verloren gaat als ze zwemmen.

Dolfijnen hebben een netwerk van bloedvaten en een bloedsomloop, omdat ze warmbloedig zijn is het logisch dat dit netwerk zeer uitgebreid is. Bloed moet door het gehele lichaam gepompt worden om de lichaamstemperatuur constant te houden en eventueel aan te passen aan temperatuurschommelingen van het water.